Veel mensen voelen zich aangetrokken tot auto’s. Vooral dure sportauto’s doen het goed. Bij historicus Maarten van Rossem ligt dat anders: hij bracht ook boek uit over iconische volksauto’s.

Want volgens Van Rossem zijn volksauto’s als de T-Ford, de Kever en de Deux Chevaux veel moeilijker te produceren dan een dure sportauto’s van 4 ton. Over dat soort volksauto’s en de massaliteit waarmee ze geproduceerd werden, gaat zijn nieuwe boek Een auto voor iedereen. Ook omdat er in de autojournalistiek weinig valt te lezen over dit soort auto’s en juist veel aandacht is voor snelle bolides, besloot Van Rossem dit boek te schrijven.

Het boek van Maarten van Rossem

De autorevolutie begon op 1 december 1913 in Detroit, Michigan. Vanaf die dag produceerde de Ford-fabriek de simpele en relatief goedkope T-Ford aan de lopende band. Ford stelde de Amerikaanse middenklasse en de beter verdienende arbeider in staat een eigen auto te kopen.

In Europa voltrok de revolutie zich pas na 1960, na de snelle welvaartsgroei in de jaren vijftig. Elk Europees industrieland leverde een eigen bijdrage aan de ‘automobilisering’. De Duitse Bondsrepubliek produceerde de luidruchtige, maar uiterst solide vw kever, die de meest geproduceerde auto ter wereld zou worden. De Fransen kwamen met de ingenieuze 2cv en de Engelsen met de briljante Mini. Het allerliefste autootje was zonder meer de Fiat 500. Binnen vijftien jaar stond Europa op de wielen.